Reis rond de wereld in 180 dagen

Reflectie

Na 80.000 kilometer te hebben gereisd - tweemaal de omtrek van de aarde bij de evenaar - zit onze reis erop. Het was een prachtige tocht, waarbij we in een half jaar veertien landen, verdeeld over vijf continenten, hebben bezocht. Binnen een paar maanden verwisselden we de met sneeuw bedekte Andes voor de gletsjers in Nieuw-Zeeland en de groene spitsachtige bergen in de Chinese Karst regio, om uiteindelijk door te trekken naar de savanne van Tanzania. De Incacultuur maakte plaats voor de Javaanse heiligdommen en uiteindelijk voor de kunstzinnige en verfijnde schatten van China. De oude steden Machu Picchu en Angkor Wat werden afgewisseld door hypermoderne metropolen zoals Singapore en Shanghai. We spraken Spaans, Engels, Indonesisch, Thai, Chinees, Cambodjaans (Khmer) en uiteindelijk Swahili, waarbij de ene taal er uiteraard wat makkelijker uitkwam dan de andere. We hebben kou geleden in onze gifgroene camper in Nieuw-Zeeland en zijn verbrand op het strand in Indonesië. Last van hoogteziekte gehad bij het Titicacameer - zijn natuurlijk niets gewend als Nederlanders die 7 meter onder NAP leven - maar hebben ook al het moois onder de zee bewonderd bij de Gili eilanden. De snelste trein van China bracht ons bij de Boeddhistische grotten van Longmen en de langzaamste (rieten) boot zette ons af bij de Uros eilanden in het grootste meer van Zuid-Amerika. We hebben gezien hoe Hindoes, in de vroege ochtend, bij prachtige versierde Balinese altaren, hun offers brachten en hebben de stilte meegemaakt van een Boeddhistische tempel. Nonnen naarstig zien voorbijlopen in het Peruviaanse klooster Santa Catalina en we hoorden de muezzin in Java, een tiental meters van onze hotelkamer, de moslims oproepen tot gebed.

Verbaasd waren we over de bouwdrift van de Chinezen en de enorme groei die het land de afgelopen tijd heeft doorgemaakt. Afgezien van de grote sociale uitdagingen die dit geeft voor de volksrepubliek heeft dit vrijwel zeker gevolgen voor het klimaat van de wereld. De ´ontsluiting´ van honderden miljoenen Chinezen die zich een Westers consumptiepatroon aanmeten, zal de vraag naar energie zeker laten stijgen. De armoede die wij in vele landen hebben gezien, heeft ons doen beseffen dat we het in Nederland heel erg goed hebben. Afgezien van enige bureaucratie hebben wij het in Nederland goed voor elkaar. De sociale voorzieningen zijn (nog) keurig geregeld, er is nauwelijks corruptie - zeker als je het vergelijkt met landen als Indonesië en India - en wij zijn nog steeds een van de rijkste inwoners, in materiële zin wel te verstaan, ter wereld. Dat neemt niet weg dat veel buitenlanders in erbarmelijke omstandigheden leven, de Peruviaanse vrouwen die 3 uur met een bus naar Cuzco reisden om daar katoenen popjes te verkopen aan toeristen die ze met een simpel wegwuifgebaar nee verkochten, staat ons op het netvlies gebrand. Het is soms zo makkelijk om kritiek te geven op de wijze hoe het in een land geregeld is, zonder dat je stilstaat bij het feit dat het in Nederland nog niet eens zo lang geleden óók slecht geregeld was. Het is immers nog niet eens honderd jaar geleden dat het algemeen kiesrecht is ingevoerd en de sociale voorzieningen kregen pas in de vorige eeuw echt gestalte. Mede daarom kennen wij geen echte armoede meer.

Ons eerste verhaal begon met een citaat van de Chinese schrijver Lin Yutang, die schreef dat een goede reiziger niet weet waar hij heengaat en een uitstekende reiziger niet meer weet waar hij vandaan komt. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat we wel een goede reiziger zijn maar niet een uitstekende reiziger, omdat we nog heel goed weten waar we vandaan komen en wat daar te bieden is. We misten ook onze familie en vrienden in Nederland. Tenslotte willen we iedereen bedanken voor de leuke berichtjes die jullie op de website achterlieten en hopelijk begrijpen jullie dat we niet iedereen een persoonlijk berichtje konden sturen. Het was uiteindelijk een reis om nooit meer te vergeten. We wensen iedereen een supergoed nieuwjaar!

Safari

In het Swahili betekent Safari 'reis', in de letterlijke en figuurlijke zin van het woord. Voor ons was de tocht door de jungle en de savanne een fysieke maar ook een geestelijke uitdaging. Fysiek omdat we in een paar dagen veel kilometers aflegden en geestelijk omdat we meerdere keren onze eigen angsten moesten overwinnen.

We komen in Tanzania aan op het internationale vliegveld van Dar es Salaam en besluiten om de hectische en grootste stad van het land zo snel mogelijk te verlaten. Na de miljoenen tellende inwonerssteden van China, Shanghai (23 miljoen) en Beijing (bijna 20 miljoen), hebben we het wel even gehad met de drukte. Voor de kust van Tanzania ligt Zanzibar, een prachtig eiland dat bekend staat om zijn hagelwitte stranden en gaan hier met de veerboot naartoe. Door de eeuwen heen is hier een bonte cultuur ontstaan, die duidelijk is beïnvloed door het Arabische Oman, India en, in de koloniale periode, Engeland en Duitsland. Er heerst een gemoedelijke, relaxte sfeer, niets moet, alles mag. Hakuna matata (Swahili voor maak je geen zorgen), dat is het levensmotto op het eiland dat omringd wordt door de Indische oceaan. Morgen de rekening betalen of nog een extra nachtje langer blijven, natuurlijk, dat is geen probleem. Het leven is hier goed, alleen we beseffen wel dat we speciaal naar Tanzania zijn gegaan om eens een safari mee te maken. Na 72.000 (!) kilometer te hebben gereisd, kijken we een beetje op tegen een safari van vijf dagen, echter het vooruitzicht van al die mooie dieren doet ons snel van gedachten veranderen. Met een goed gemoed stappen we de bus in die ons in 8 uur van Dar es Salaam naar Arusha moet brengen, de reis duurt echter twaalf uur. Hakuna matata roepen ze vrolijk in de bus, ja natuurlijk geen zorgen, de chauffeur is blijkbaar wel héél relaxed. Een paar dagen later gaan we dan eindelijk de jungle in.

De eerste dag is gelijk een mooie dag, we pikken twee supergezellige Amerikanen op en zetten al vrolijk kletsend koers naar het meer van Manyara. Met de jeep rijden we door het wildreservaat heen, bavianen springen om ons heen. We zien een leeuw en een leeuwin heerlijk rusten in de zon, de olifanten komen uit het regenwoud zetten en lopen ons doodleuk maar toch een beetje argwanend, op een paar meter afstand, voorbij. In de verte zien we giraffen lopen. We kijken terug op een geweldige dag en vallen, op de afgeschermde camping, heerlijk en veilig in slaap. Dit is de volgende dag wel anders, na het meer van Manyara rijden we naar het Serengeti reservaat - net zo groot als driekwart van Nederland - en overnachten op de savanne op een camping zonder bewaker en afscherming. Het wordt een slapeloze nacht, want een wrattenzwijn heeft het op ons tentje voorzien en zit de hele nacht naar wortels te zoeken die precies onder onze slaapplek liggen. De volgende nacht wordt het nog erger als Berny in de nacht, met een volle blaas, naar het toilet moet. Onze gids heeft ons verteld dat we onze behoefte, vanwege de wilde dieren, een paar meter buiten de tent moeten doen. Wild zwaait Berny met een zaklamp om zich heen, voor en achter is alles veilig, snel plassen. Zo dat is een opluchting. Achter zich hoort Berny opeens iets en draait zich abrupt om, hij kijkt twee hyena's in de ogen, die zich op vijftien meter afstand hebben opgesteld. Ze kijken elkaar aan, een impasse is ontstaan. Berny vlucht snel de tent in en kan de slaap niet meer vatten, zeker niet als hij de hyena's langs de tent hoort lopen en grommen.

Toch was Serengeti een geweldige ervaring, we hebben de grote migratie van buffels en zebra's mee mogen maken en zagen deze dieren, zo ver als het oog reikt, zich over de savanne verplaatsen. We hebben hard gelachen om de struisvogels die zich op een voor ons merkwaardige - maar zeer snelle - manier voortbewegen, waarbij de illusie wordt gewekt dat de vogels achteruit rennen. Een kippetje gegeten op de lunchplek waarbij, het zal weer eens niet Berny zijn, het boutje net iets te hoog in de lucht werd gehouden, zodat de adelaar deze mooi uit zijn handen rukte en op de terugvlucht, als in een komedie, het botje voor zijn voeten neergooide. De Amerikanen en Ellen kwamen niet meer bij. Het gelach werkte zo aanstekelijk, dat Berny binnen de kortste keren ook dubbel lag van het lachen. We hebben genoten. Nog een aantal dagen om alles te laten bezinken en dan... gaan we naar huis.

Oponthoud

Na maandenlang fotograaf te zijn geweest moet ik nu ook even de taak van journalist op me nemen. Hoe dat komt lees je hieronder.

Na China hebben we een ‘kleine' omweg gemaakt naar Cambodja, om het prachtige tempelcomplex Angkor Wat te bezoeken. In een taxi op weg naar het vliegveld van Bangkok zegt Berny dat hij zich niet zo lekker voelt. Met mijn nuchtere tukkerse verstand denk ik dat het wel mee zal vallen, maar na twee uur verslechtert zijn toestand opeens zo erg dat hij moet gaan liggen. Ik voel even aan zijn hoofd, die voelt gloeiend heet. Langzaam begint het tot me door te dringen dat het helemaal niet goed gaat met hem. Als we op het vliegveld aankomen kan Berny niet eens meer op zijn benen staan en moet per rolstoel naar de airportkliniek op de derde verdieping gebracht worden. Daar aangekomen vertelt de dokter dat hij niet kan vliegen, wat betekent dat we vanavond niet naar Nairobi kunnen vliegen. In plaats daarvan worden we met een ambulance naar een ziekenhuis gebracht en gaat mijn eens zo sterke vriend voor twee dagen aan het infuus en wordt hij volgepompt met antibiotica. De diagnose luidt: een bacteriele infectie.

Gelukkig kan ik ook in het ziekenhuis blijven slapen, op de bank naast zijn bed. De zorg in het ziekenhuis is erg goed en Berny wordt vertroeteld door de - volgens hem, mooie - zusters, waardoor hij na twee dagen redelijk is opgeknapt en "naar huis" mag. Het is maar goed dat ik naast zijn bed zit. Maar wij willen nog niet naar huis, hoewel we onze familie en vrienden inmiddels steeds meer beginnen te missen. Dankzij de reisverzekering kan er een vlucht geboekt worden naar Tanzania en kunnen we toch nog de big five gaan bewonderen!

Het rijk van het midden

De Chinezen hebben eeuwenlang aangenomen, al dan niet terecht, dat China het middelpunt van de wereld was. Trots werd het land door de inwoners ‘het rijk van het midden' genoemd en in een poel van culturele duisternis was China een lichtbaken voor anderen. Dat China cultureel veel te bieden heeft, dat is ons wel duidelijk.

Aangekomen in het middeleeuwse Pingyao - na een treinreis van meer dan twaalf uur - kijken we onze ogen uit. In de oude dorpskern staan overal rijkelijk versierde houten huisjes, voorzien van prachtig houtsnijwerk en fraaie beschilderingen. Aan de daken van de woningen bungelen rode lantaarns - bekend uit de film Raise the red lantern - die wij kennen van lampionnenoptochten. We raken aan de praat met een Chinese man, een zwerver zo blijkt later, die zichzelf, als een autodidact, de Engelse taal machtig heeft gemaakt. Ongelooflijk knap, aangezien het Chinese karakterschrift in geen velden of wegen lijkt op de taal die is gebaseerd op het alfabet. Hij vraagt ons de oren van de kop: waarom gebruik je hier de verleden en niet de toekomende tijd? Wanneer begint de ochtend, middag en de avond in jullie land? We vinden het leuk totdat we doorkrijgen dat het eenrichtingsverkeer is en we geen antwoorden krijgen op de vragen die wij zelf stellen.

Na Pingyao zetten we onze reis voort naar Xi'an om te genieten van een andere culturele schat; het terracottaleger. We zijn onder de indruk van de achtduizend handgemaakte beelden, die allemaal uniek zijn, omdat elk beeld een ander gezicht kent. De volgende paar dagen maken we tijd vrij om de omgeving te verkennen. De supersnelle trein, die met een snelheid van 300 kilometer per uur over de rails raast, is leuk om mee te maken en brengt ons bij Luoyang waar de grotten van Longmen op ons liggen te wachten.  De boeddhistische kunst is een parel voor het oog, de ongeveer honderdduizend beelden - niet dat we ze geteld hebben - verspreid over 1.400 grotten doen ons versteld staan. Na dit alles nemen we een nationale vlucht naar Chengdu. Het noodlot slaat toe.

Op het vliegtuig van Chengdu aangekomen, haasten we ons naar de shuttle bus die ons naar het centrum van de stad moet brengen. In het centrum aangekomen, nemen we een taxi naar ons hotel. Rond middernacht checken we in bij de receptie, mag ik uw paspoort even zien? Zo vraagt de vriendelijke receptioniste. Ellen haalt vluchtig haar paspoort tevoorschijn, de hand van Berny gaat naar de heuptas die er niet meer blijkt te zijn. We hebben de heuptas verloren óf hij is gestolen, zo maken we snel de conclusie. Lichte paniek - dat is een understatement - slaat toe, beelden van het einde van de wereldreis doemen bij ons op. We gaan snel terug naar het vliegveld maar diep in de nacht blijkt het (internationale) vliegveld te zijn gesloten. In het Engels spreken we een paar medewerkers aan waarvan de werktijd erop zit. Uiteraard spreken ze geen Engels, maar gelukkig, we hebben een vertaalcomputertje (dank daarvoor Jan) en laten de zin horen dat we hulp nodig hebben. Binnen een paar minuten staan er vier (!) agenten om ons heen. We worden goed geholpen maar we krijgen al snel door dat we niet te veel moeten verwachten. Teleurgesteld gaan we terug naar het hotel en vallen, moe van de stress en het lange reizen, in slaap. De volgende dag bellen we de ambassade, die ons vertelt dat we aangifte moeten doen en naar de ambassade in Beijing óf naar een van de consulaten in Shanghai of Guangzhou moeten gaan voor een nieuw paspoort. Na het verlies gemeld te hebben op het politiebureau - het enige wat we gezien hebben in Chengdu - besluiten we om naar Shanghai te gaan.

Na een treinreis van 36 uur, de afstanden zijn immens in China, arriveren wij in deze hypermoderne stad. Aangezien het zondag is kunnen we niets aan de situatie doen en besluiten om de boulevard af te lopen. Geweldig om de ‘Bund', de koloniale huizen aan de rivier, te zien. Op de maandag krijgen we een verlossend telefoontje van Air China, het paspoort is teruggevonden! Het lag in het vliegtuig en is (pas) na drie dagen bij een schoonmaakactie tevoorschijn gekomen. Waarschijnlijk moet de geldbuidel bij het omdoen van de rugzak of bij het slapen zijn afgegleden. Het probleem is dat we nu 2.100 kilometer zijn verwijderd van Chengdu. Hoe krijgen we het paspoort terug? We stellen voor om het op te laten sturen met een snelle (relatief veilige maar ook dure) postservice. Air China heeft een beter idee, ze kunnen het mee laten sturen met de eerstvolgende vlucht naar Shanghai, dezelfde avond nog. Lijkt ons een goed plan, wederom staan we rond middernacht op een vliegveld te wachten, nu in Shanghai. Na enige hectiek - de bemanning besluit misschien om nog een biertje of een kop koffie te drinken - houdt Berny het paspoort in zijn handen. Blij en tevreden gaan we terug naar ons appartement.

De dagen zitten er in China op en we kijken terug op een prachtige maand, maar we beseffen wel dat, om op je eigen houtje in het land te gaan reizen, je over veel geduld en over doorzettingsvermogen moet beschikken. Toch zou een Chinees, zonder blikken of  blozen, kunnen zeggen dat het land, cultureel gezien, nog steeds het rijk van het midden is. Een cultuur waar menig land jaloers op kan zijn.

Yin & yang

Op het treinstation aangekomen, hebben we nog tijd genoeg om een hapje te gaan eten. De dame van de bediening komt haastig met de menukaart aanzetten, die natuurlijk in het Chinees is. Geen probleem, we kijken wel naar de plaatjes, wat ziet er lekker uit? We bestellen iets op de gok en vragen terloops of er ook thee is. Het Chinese woord voor thee dachten we te kennen, toch wordt het niet begrepen. Misschien een verkeerde uitspraak? Maakt niet uit, we halen het zware geschut tevoorschijn, ons aanwijsboekje (point-it) met allerlei handige afbeeldingen erin om iets duidelijk te maken. We weten niet of het aan de afbeelding ligt of aan onze toelichting, het is de serveerster in ieder geval nog steeds niet duidelijk wat we willen bestellen. Weet je wat, we hebben nog thee in onze rugzak zitten en het is nog jasmijnthee ook! Precies wat we willen hebben. We laten de thee zien en het lijkt duidelijk te worden, een kort knikje en weg is ze. Vijf minuten later komt ze terug met ijskoude groene Liptonthee. We zuchten allebei diep. Communiceren is in China niet lastig, het is loodzwaar. Een cursus Chinees was handig geweest, dat is ons wel duidelijk. Maar dan die uitspraak! Sommige klanken kennen Nederlanders echt niet, die komen van diep uit de strot. Voordat je naar China gaat moet je daarom ook behandeld zijn door een logopedist, zeggen we grinnikend tegen elkaar.

China is een razend interessant land, maar wel één van uitersten. Zo worden we de eerste nacht in Peking lachend afgezet door een taxichauffeur, die een gemeen trucje met de meter heeft uitgehaald. Een paar dagen later worden we - al zoekend naar de weg - aangesproken door een moeder en haar zoon. Ze nemen ons op sleeptouw en laten ons allerlei mooie plekjes in Peking zien. We gaan twee keer uit eten en zij betalen - na herhaaldelijk afslaan - voor beide etentjes. Superaardige mensen. China is een land van contrasten. De theeceremonies zijn klinisch schoon en verlopen volgens een strak protocol, de toiletten zijn daarentegen over het algemeen erg vies. Een land dat een enorme vooruitgang kent maar tegelijkertijd ook een behoudende cultuur met een hang naar het verleden. Een Chinese krant in het Engels met een kritische ondertoon naar de maatschappij maar daarnaast ook censuur op het internet. Wie kent niet het zwart en witte yin yang symbool? Het hoort bij China.

Weersomslag

Met Indonesië vergeleken is Singapore een wereld van verschil. Het is een land - eigenlijk lijkt het meer op een stadstaat met een gebied ter grootte van de Noordoostpolder - dat zich kan meten met de modernste staten in de wereld. Het vliegveld doet pijn aan onze ogen, blinkend nieuw, zeer schoon en voorzien van de modernste snufjes. We kopen metrotickets door op een gebruiksvriendelijk scherm (touchscreen) aan te geven waar je naar toe wilt, in de metro is iedereen verdiept in zijn mobiele telefoon of draagbare computer. Even denken we dat we in de metro van Rotterdam zijn beland. Rijk en modern, dat is Singapore zeker maar zo op het eerste oog ook individualistisch en overgereguleerd. Echt overal bordjes met wat je wel maar vooral niet mag doen. Buitenlanders zijn er hier genoeg, we worden - ook wel eens lekker - niet aangestaard en kunnen ons overal verstaanbaar maken. In de internationale stad die Singapore is, zijn er vier officiële talen: Maleis, Tamil, Chinees en Engels. In werkelijkheid worden er nog vele andere talen en dialecten gesproken door de minderheden die het gebied kent. Hoe communiceren die inwoners dan met elkaar? Meertaligheid, dat is het sleutelwoord, in zeker zin lijkt dit land een beetje op Zwitserland waar je ook met één taal niet uit de voeten kunt.
In de havenstad nemen we een hotel in Chinatown om alvast een beetje te wennen aan de Chinese cultuur - stiekem ook omdat het hier gewoon super goedkoop is - en trekken er de volgende dag op uit om het centrum te gaan verkennen. Het is een regenachtige, grijze dag maar toch valt er veel te beleven, we zien de mooie helixbrug, de boulevard en de wolkenkrabbers, die hoog boven de stad uittorenen. Het is een absoluut walhalla voor winkelverslaafden en de pracht en praal in de winkelcentra doen je steil achterover slaan. De stad is wel verschrikkelijk duur - ons dagelijks budget wordt ruim overschreden - dus we maken ons snel uit de voeten en vliegen door naar Thailand.
In Bangkok aangekomen, worden we verrast door het slechte weer en het zorgwekkende waterpeil van de grote rivier die door Bangkok heenloopt, de Chao Phraya. Drie maanden van onophoudelijk regenen heeft ervoor gezorgd dat de gemiddelde Thai in een ijzeren houdgreep wordt gehouden. Grote delen van het land staan blank, van de stad Chiang Mai, in het noorden van het land, tot aan de zuidelijke stad Ayutthaya. Provisorische dammen worden opgeworpen om belangrijke plaatsen te beschermen, voedsel en hulp wordt gegeven aan de getroffen gebieden en de overheid probeert in allerijl het overtollige water af te voeren naar de zee. In vijftig jaar tijd is Thailand niet zo hard door overstromingen getroffen als nu het geval is, het water laat een spoor van vernieling achter. We nemen het vliegtuig naar Beijing maar we beseffen dat we veel mensen in Thailand in angst en onzekerheid achterlaten.

Natuurkracht

Met een groepje van zeven mensen, twee Chinezen, een paar Spanjaarden en een Indonesische gids, lopen we door een verlaten landschap. Bomen zijn halverwege de stam als lucifers afgeknapt, er ligt overal grijze, poederachtige stof en als een slang loopt er een brede geul door het landschap heen. Het lijkt net alsof er zojuist een oorlog is gevoerd. We lopen op de meest actieve vulkaan van de wereld en het ziet er zo desolaat uit omdat een jaar geleden de Javaanse vulkaan (Merapi) zijn tanden heeft laten zien en lava en as heeft uitgespuwd. De geul is gevormd doordat het lava zich een weg naar beneden heeft weten te banen. We voelen ons een beetje ongemakkelijk maar de gids stelt ons gerust, het duurt nog zeker een paar dagen voordat een uitbarsting werkelijkheid kan worden. Het magma kan zich net zo goed terugtrekken en het kan dus ook zo maar dat er helemaal niets gebeurd. We hebben tijd genoeg om ons terug te trekken als de vulkaan zich gaat roeren. Dat voelt beter of toch niet?

De tocht blijkt erg gezellig te zijn - de gids heeft veel humor - en met de praktijk om ons heen nemen we de theorie snel op. De gids, een krasse knar van 66 jaar oud, loopt de jonkies compleet ondersteboven. Hé, waar blijven jullie nou, vraagt hij uitdagend als we allemaal met de tong op de grond over de omgevallen boomstronken heen klauteren. Ja, ja, jij hebt 28 jaar ervaring en kent daardoor alle weggetjes en kuilen, proberen we, de schaamte verbergend. Op het moment dat we dit zeggen, weten we natuurlijk dat dit argument niet sterk overkomt. Fysiek is deze man ons simpelweg de baas en misschien ook wel geestelijk. Uitgebreid vertelt hij over de eigenaardigheden en onvoorspelbaarheid van de vulkaan, terloops vertelt hij dat hij vorig jaar, als leider van het reddingsteam, één van de eersten was die de ruim driehonderd mensen bereikte, die tijdens de evacuatie niet wilden vertrekken. Eén man had zijn huis weten te bereiken maar was toen ingehaald door de giftige dampen en hete wolken, hij stond er als versteend bij. Beelden van Pompeii doemen bij ons op. Even valt de gids stil en hij lijkt terug te gaan naar die noodlottige dag, al snel pakt hij echter het rappe tempo weer op en maakt grappen alsof er niets is gebeurd.

Niet alleen de vulkaan Merapi maar geheel Java heeft op ons een blijvende indruk achtergelaten en we vragen ons werkelijk af waarom de meeste toeristen naar Bali gaan en de nabijgelegen eilanden overslaan. Misschien heeft het te maken met het feit dat de eilanden voor het grootste deel islamitisch zijn en minder westers zijn ingesteld? We weten het niet. Wel is het duidelijk dat Java veel te bieden heeft. Op het moment dat we de top van de Borobudur bereikten en het uitzicht van het boeddhistische complex op ons in lieten werken, voelden we ons echt goed. De Prambanan, vijftig kilometer verderop, deed niet onder voor zijn bekendere broer. De spitsige grijszwarte Hindoeïstische tempels staken prachtig af tegen de helderblauwe lucht. In de avond mochten we hier nog een keer terugkomen, toen het beroemde verhaal de Ramayana werd opgevoerd, met op de achtergrond de mooi verlichte Prambanan. Groot was onze verbazing toen er opeens een Nederlandse cameraploeg opdook voor het programma ‘Wie is de reisleider?'. Het stokje van de gids werd overgedragen aan een nieuwe bekende persoonlijkheid, alleen mochten we nog niets verklappen.

Terug op de vulkaan Merapi beseffen we dat we langzaam uit de gevarenzone vertrekken en de bewoonde wereld betreden, de stilte wordt langzaam verdrongen door het geluid van scooters en auto's. In de vierde eeuw voor christus schreef Aristoteles dat de natuur niets doet zonder een bepaald doel. Zou het echt zo zijn? We zetten onze reis voort naar het supermoderne Singapore.

Hoop en vrees

We hebben een gesprek met de chauffeur, die luistert naar de naam Happy. Hij rijdt ons een paar dagen rond in Lombok en vertelt vol passie over het verleden en zijn verwachtingen van de toekomst. De culturele tradities van het eiland, de dans, muziek en ceremonies doen zijn ogen oplichten en hij vertelt honderduit over zijn ervaringen en zijn hoop dat al dit moois niet verloren mag gaan door de jeugd al vroeg kennis te laten maken met deze overleveringen. Tempo dulu, zo wordt de hang naar het verleden in het Indonesisch genoemd en we snappen waarom, het lijkt of de tijd op Lombok stilstaat, de boeren bewerken de prachtige groene rijstvelden nog met de hand, het leven gaat langzaam en speelt zich grotendeels buiten de deur af. De persoonlijke banden zijn sterk, iedereen heeft wel ergens een vriend zitten die iets voor je kan betekenen en binnen de familie zorg je simpelweg, onder andere door het ontbreken van goede sociale voorzieningen, voor elkaar.

Toch is Lombok volgens Senna - de echte naam van de chauffeur - aan het veranderen, dát staat volgens hem buiten kijf. De toekomst zal echter uitwijzen of dit ten goede of ten slechte zal zijn. De opening van het spiksplinternieuwe internationale vliegveld in oktober biedt zowel uitdagingen als bedreigingen, in de zin dat Lombok enerzijds, net als Bali, overspoeld zal worden met toeristen, met alle gevolgen van dien, maar anderzijds ook zal profiteren van dezelfde vakantieganger die zijn vreemde valuta kwistig, zo wordt verwacht en gehoopt, op het eiland zal uitgeven.

We hebben gezien wat het toerisme kan doen; de eerste paar dagen op Lombok waren we op de populaire Gili eilanden en zagen dat de witte ‘bounty' stranden waren bedekt met dood koraal. Boze tongen beweren dat dit is gekomen door (dynamiet) vissen, de lokale bevolking houdt het echter op het broeikaseffect. Wat de waarheid ook moge zijn, één ding is ons wel duidelijk, de Gili eilanden worden in rap tempo volgebouwd met resorts en zijn onvoldoende toegerust om de horde toeristen te kunnen verwerken. De zoektocht van de mens naar materiele vooruitgang staat, zoals zo vaak, haaks op de zorg voor het milieu.

Na de Gili eilanden reden we met een aftands wit bestelbusje over weggetjes waarin kuilen zaten die een doorsnee loopgraafsoldaat uit de eerste wereldoorlog blij zou hebben gemaakt. Een beetje lamlendig stapten we in Senggigi, een relax toeristenplaatsje in het westen van Lombok, uit het busje. Ter plekke besloten we om dit stadje te gebruiken als uitvalsbasis voor korte dagreizen het binnenland in. De eerste trip leidde ons naar Tetebatu waar we bij een prachtig wit koloniaal huis een wandeling door de rijstvelden maakten, op het land was ongeveer al het voedsel, wat we gedurende een dag voorgeschoteld kregen, te zien. Van de ananas bij het ontbijt, de bananen in de pisang goreng, tot aan de vanillestokjes in de koffie (kopi) toe. Voor de tweede dagtocht hadden we ons oog laten vallen op de watervallen in het noorden van het eiland, verteld werd dat je een jaar jonger zou worden als je achter de waterval doorliep. Ze waren vergeten te vertellen dat het ongeveer je leven kost om het te proberen, dan maar een jaartje ouder. Vandaag gaan we terug naar Bali en nemen afscheid van Senna, hem achterlatend met de hoop op een betere (materiele) toekomst maar ook met de vrees dat Lombok wordt ontdaan van haar tradities en van zijn mooie natuur. De pracht en praal van de Verenigde Oost-Indische Compagnie ligt op ons te wachten op het volgende eiland van de gordel van smaragd: Java.